Passend onderwijs
 

Leerlingbegeleiding wordt door verschillende functionarissen ingevuld. Allereerst is de mentor een belangrijke functionaris. Vrijwel elke vakdocent is mentor van een klas of een groep. Hij/zij heeft het meest directe contact met de leerling. Hij/zij is ook het eerste aanspreekpunt voor de ouder van de leerling. In de ‘eerste lijn’ zorgt hij voor de opvang van de leerling.

De toekomstige leerlingen maken voor de zomervakantie al kennis met hun mentor. Hij/zij is in de introductieperiode intensief betrokken bij zijn/haar mentorklas, om de leerlingen te helpen de overgang van de basisschool naar de middelbare school zo goed mogelijk te laten verlopen.

De docenten werken in een team samen. De teamleider stuurt deze groep docenten aan. Samen kennen zij de leerlingen en ze maken onderlinge afspraken over het onderwijs, het volgen van de leerlingen en alles wat daar mee te maken heeft. Bij moeilijkheden kunnen zij de hulp van specialisten inschakelen. Deze specialisten in school noemen we de ‘tweedelijns’ opvang. Dit zijn onder meer de decanen/leerlingbegeleiders. Decanen zijn gespecialiseerd in keuzeprocessen bij studie en beroep en leerlingbegeleiders zijn geschoold in het aanbieden en organiseren van zorg. Ook zijn zij in staat om te beoordelen welke hulp de leerling op een bepaald moment nodig heeft. Zij kunnen externe instanties inschakelen (de zogenoemde ‘derdelijns’ hulp).

Leerlingen met een beperking kunnen een beroep doen op een aangepaste behandeling en beoordeling. Vooral dyslexie blijkt voor sommigen een forse beperking te zijn. Samen met de leerlingbegeleider/orthopedagoog en mentor kan een begeleidingsplan worden opgezet om te zorgen dat deze leerlingen zo goed mogelijk kunnen functioneren. De leerlingen ontvangen een hulpkaart, waarmee ze aan de docent kunnen laten zien welke extra rechten zij hebben bij de toetsen.

Op het Willem van Oranje College functioneert een ondersteuningsteam. Het OT bestaat uit een adjunct-directeur, de leerlingbegeleiders, de zorgcoördinator, de schoolmaatschappelijkwerker, de orthopedagoog en diverse externe deskundigen. U kunt dan denken aan de leerplichtambtenaar, iemand van de GGD/GGZ of opvoedkundige. Het OT probeert vanuit de verschillende invalshoeken van deskundigen adequate oplossingen te zoeken voor leerlingen die problemen hebben.

Passend onderwijs en het Samenwerkingsverband

De scholen voor voortgezet onderwijs werken samen in het Samenwerkingsverband De Langstraat. Leerlingen die niet op school (binnen het samenwerkingsverband) te handhaven zijn kunnen verwezen worden naar het OPDC, waar ze maximaal 13 weken aangepast onderwijs krijgen. Er moet sprake zijn van een acute problematiek: een acuut veiligheidsrisico of plotseling optredend grensoverschrijdend gedrag. De leerling kan ook gedetacheerd worden op een andere school.
Als leerplichtige leerlingen door gedrag en houding in de knel dreigen te raken, kan dus een beroep worden gedaan op het OPDC De Langstraat. In het OPDC hanteert men een niet-schoolse werkvorm die onder de verantwoordelijkheid van de school wordt uitgevoerd in het jongerencentrum De Tavenu door docenten en medewerkers van Tavenu. Via de zorgcoördinatoren kan een leerling worden aangemeld bij de ACT (Advies Commissie Toewijzing). Het doel van het OPDC is het herstellen van de vertrouwensrelatie met de leerling, gebaseerd op wederzijds begrip, opdat de motivatie bij de leerling groeit om het onderwijstraject toch af te maken.
Passend onderwijs gaat uit van de mogelijkheden van kinderen, in plaats van eventuele beperkingen. Met passend onderwijs willen we zoveel mogelijk kinderen onderwijs laten volgen op een gewone school in hun buurt. Zo kunnen ze het beste meedoen in de samenleving. Voor kinderen die dat echt nodig hebben, blijft het speciaal onderwijs bestaan.

De scholen in de Langstraat werken nauw met elkaar samen om het passend onderwijs goed in te kunnen voeren. Samen zorgen ze ervoor dat er straks voor alle leerlingen in de Langstraat een passende onderwijsplek is. Meestal is dit in de regio de Langstraat, maar soms is er speciale ondersteuning buiten de regio nodig.
Met ingang van het passend onderwijs gaat de zorgplicht in. Dat betekent dat scholen ervoor moeten zorgen dat iedere leerling die zich bij hun school aanmeldt een meest passende onderwijsplek krijgt. Nu moeten ouders vaak zelf op zoek naar de meest geschikte school als hun kind extra ondersteuning nodig heeft. Straks heeft de school de plicht om een passende onderwijsplek te vinden. Dat kan zijn op de eigen school, maar dat kan ook op een andere reguliere school zijn, een school voor speciaal (voortgezet) onderwijs of een school met praktijkonderwijs.De leerlingen (cluster 2, 3 en 4) die extra ondersteuning nodig hebben, worden begeleid door de leerlingbegeleiders in samenwerking met de onderwijsondersteuners. De begeleiding is beschreven in het ontwikkelingsperspectief. Er is frequent overleg over leerlingen, handelingsplannen en met leerlingen, ouders en docenten.
Meer leerlingen zullen naar een reguliere school gaan om een diploma in het voortgezet onderwijs te halen. Dit geeft kinderen een betere aansluiting op vervolgopleidingen van het mbo en hbo en meer kansen op meedoen in de samenleving. Voor sommige kinderen blijft speciaal onderwijs de beste keuze, zij worden daar dan zo goed mogelijk voorbereid op de arbeidsmarkt of dagbesteding.

Meer informatie over passend onderwijs is te vinden op: www.passendonderwijs.nl, www.steunpuntpassendonderwijs.nl, www.swvdelangstraat.nl.

 

Meer weten over passend onderwijs in het algemeen? Klik hier